Hoe katholiek ben ik? Mijn lieve ouders lieten er bij geboorte geen misverstand over bestaan: Alphonsus Henricus Titus Maria. Wat is in een naam? Later – toen in de kerkelijke richtingenstrijd rekkelijken en preciezen lijnrecht tegenover elkaar stonden – werd het mij gaandeweg duidelijk dat zij via mijn initialen kleur hebben bekend.

Ik heet Fons naar Alphons Ariens, arbeiderspriester die zich verzette tegen de hypocrisie van notabelen. En Titus komt van Titus Brandsma, de moedige priester die zich tegen het nazisme keerde en in Dachau zou worden vermoord. Ik heb die namen dus niet toevallig gekregen. Ik ben vernoemd naar kritische geesten die tegen de stroom in trouw bleven aan de wereld die hen voortbracht.

Is dat bij mij ook nog zo? Voel ik mij nog verbonden met het katholicisme? De vraag dringt zich onvermijdelijk op nu de officiële kerk in staat van ontreddering  verkeert. In lengte van decennia is in een sfeer van strikte hiërarchie en gehoorzaamheid seksueel misbruik verwegen, ontkend en weggeduwd.

De afgelopen week was ik voor Brandpunt in Vlaanderen, verdiepte ik mij in het beschamende feuilleton. Een bisschop die dertien jaar zijn neefje misbruikt. Een gewezen aartsbisschop – gekend als baken van moraliteit – die de doofpot pakt. Een rapport waarin wordt geconcludeerd dat er in Vlaanderen geen school of internaat was waar geestelijken zich niet hebben vergrepen aan kinderen.  Ik weet dat het een perfide minderheid was. Maar een structurele perfide minderheid.

Vooral het onderzoeksrapport van de commissie Adriaenssens  vloog mij naar de keel.  In onbedekte termen doen slachtoffers verslag. Gedwongen masturbaties, anaal en oraal verkeer, “kom even naar mijn kamer”. Misselijkmakend. Als ik mgr. Johan Bonny,  bisschop van Antwerpen, botweg vraag  hoe het hem bij lezing verging ,valt er een lange stilte. Een tocht door de hel.

Bonny blijkt een openhartig en sympathiek man.  Gespannen als een rietje vertelt hij over de moeizame weg die voor hem ligt. En die Herstel van Geloofwaardigheid heet. Als ik het bisschoppelijk paleis verlaat, merk ik dat ik met hem te doen hem. Man van goede wil, eenzame kerkvorst.

Zijn geloof – ook mijn geloof – is begonnen met een kind. In een kribbe in Bethlehem herkend als koning. Wat een schitterend  beginsel, dat koningskind:  het kwetsbaarste wezen als geestelijk vorst. Het maakt de recente golf van walgelijke berichten des te treuriger. Machtsmisbruik ten koste van kinderen. Bedekt met een mantel der liefde, die nu als oud vuil in de hoek ligt.

Wat heb ik er nog mee? Om het maar eens mild samen te vatten: ook bij mij is de hiërarchische kerk op afstand geraakt. Maar op reportage in een wereld van verborgen schande moest ik even aan mijn ouders denken, mensen voor wie het geloof hoop was.  Fons naar Alphons Ariens. Tegen de schijnheiligheid.  Oerkatholieke naam die ik met ere draag.